Inloggen

Gebruikersnaam

Wachtwoord

Onthoud mij
Wachtwoord vergeten?
Overspel volgens spelregels
dinsdag, 17 juli 2007

Ze vallen niet erg op, deze twee mensen die elkaar alleen maar aankijken, tussen alle andere gasten in het café die er lustig op los kwetteren. In stilte zitten ze aan een tafeltje in een hoek terwijl het buiten regent. Morgen is hun trouwdag. Alleen zullen ze die niet samen vieren. Zij viert het vierjarige bestaan van haar huwelijk met haar man morgen, hij zijn driejarige met zijn vrouw. Maar toch: wie diep in hun ogen kijkt, zou er de gevoelens in kunnen zien die ze niet uitspreken. Dan verbreekt zij de stilte. ‘Als je een stad zou zijn geweest’, zegt ze, ‘was je Parijs geweest.’
Hij glimlacht. ‘Hoezo?’
Zij niet. Zij fronst een beetje. ‘Zoals in de film Casablanca. Wanneer Humphrey Bogart tegen Ingrid Bergman zegt: we’ll always have Paris. Maar dan andersom. Because we’ll never have Paris.’
Hij geeft haar geen ander antwoord dan het verdwijnen van zijn lach. Maar dat vindt ze niet erg. Daar is ze aan gewend. Hij is altijd al een man van weinig woorden geweest, terwijl zij er altijd heel veel nodig heeft. Behalve wanneer ze met hem is. Dan nog gebruikt ze veel meer woorden dan hij, maar zoveel minder dan ze in willekeurig welk ander gezelschap zou doen. Ze draait haar hoofd weg van hem.
De regen stroomt langs het raam, vult het glas met water, maakt het zicht erachter troebel. De grijze wereld buiten schommelt voor haar ogen, alsof het beeld met een handheld camera geschoten is. Als een scène uit een Franse film.
Ze draait haar gezicht weer terug. Haar zicht blijft echter schemerig. Ze knippert met haar oogleden totdat ze weer scherp ziet. De uitdrukking op zijn gezicht vertelt haar dat hij zich bezorgd maakt. ‘Eigenlijk heb ik een liefdesaffaire met deze stad’, vervolgt ze daarom. ‘Zelfs in de regen is ze adembenemend mooi. Dat zilveren filter over de grachten, bomen en gevels, die hoge wilde hemel vol grijstinten boven de bruggen die het water overspannen, waarin de regen miljoenen minuscule gaatjes prikt: een film in zwart/wit. Net Parijs. Maar dan zonder de weemoed.’
En hij? Hij gedraagt zich onkarakteristiek. Zijn hand kruipt over tafel naar haar vingers toe, die trillend naast haar halflege glas liggen. En ze raken elkaar niet aan. En al zeker niet en plein public. Hun vingertoppen raken elkaar. Maar als hij eindelijk spreekt, klinkt zijn stem toonloos. ‘Denk niet teveel na’, zegt hij. ‘Ook morgen niet. Of de dagen erna. Het zit allemaal in je hoofd.’
Dat ze nooit genoeg woorden zal hebben om te omschrijven hoeveel het weinige is dat ze met elkaar kunnen delen, wil ze hem zeggen. En dat ze blij is dat het leven haar niet geeft wat ze wil omdat ze dan niks meer zou hebben om over te dromen. En hoe weergaloos het geluk is in het onverwachte moment dat hij haar schenkt. Maar dat zegt ze niet. ‘Het is okay’, is alles wat ze zegt. Want hun ogen haken in elkaar. Voor een moment of voor een eeuwigheid zitten ze in die blik gevangen. Daarin zal hij alles lezen wat ze hem eigenlijk wil zeggen, weet ze.

Het was toeval dat ze beiden op dezelfde dag trouwden, hoewel hij een jaar later dan zij – dat de strijd toen gestreden was, dachten ze. Net als het toeval was dat ze verliefd op elkaar waren geworden, nu alweer zoveel langer geleden dan de dagen waarop ze getrouwd zijn. Dat ze er niet op rekenden dat wat ze opgaven elders weer gecompenseerd zou moeten worden, was geen toeval. Dat was slechts onwetendheid. Hoe onmogelijker het verlangen, des te groter de macht ervan, tenslotte. Maar dat hoeven ze nu niet meer uit te spreken. Die strijd is inmiddels wel gestreden.
En veel is het niet dat ze kunnen delen – nog altijd niet. Telefoongesprekken, eens per week, en eens in het half jaar een uurtje in elkaars gezelschap. Zoals nu, in dit café, op deze regenachtige dag. Zijn vingers buigen zich en boren zich in haar hand. Als hij weer spreekt, klinkt zijn stem niet toonloos meer. ‘Maar is het echt wel okay met je...’, vraagt hij.
Haar mondhoeken trekken zich uit zichzelf omhoog terwijl achter haar ogen weer de tranen prikken. Maar van dankbaarheid, dit keer. ‘Ja’, zegt ze. ‘Ik ben okay. Alles is okay...’, met haar hart in haar gezicht en haar vingers diep in de palm van zijn hand. ‘Het is allemaal okay, altijd. Ik weet het...’
En zo blijven ze zitten. Een heel uur lang.



Toon reacties (3) - Reageer...